Corona-scheldwoord

Terwijl ik Bobby uitlaat, stuit ik op twee dollenden kinderen van een jaar of tien, een jongen en een meisje. Het meisje voert een verbeten telefoongesprek. De jongen stuitert om haar heen en voorziet haar ongevraagd van commentaar. Samen verdwijnen ze kibbelend uit zicht op het nabijgelegen bouwterrein.

Als Bobby klaar is, lopen ze mij weer tegemoet. Althans: de jongen stuitert mij wild dansend en luid opgewonden pratend voorbij, het meisje slentert achter hem aan, praat tegelijk met de jongen en ook met stemverheffing. Ze is kwaad. Van enige communicatie is daardoor geen sprake, sterker: ik versta er geen woord van. Als het meisje vlak bij me is, staat ze abrupt stil, zet de handen in de zij en kijkt met felle blik richting de jongen. Tussen haar opeengeperste tanden sist ze zachtjes, maar verbeten: “vuil kutjoch”. Ik kan het niet laten om als ik haar passeer te reageren en zacht, maar zuigend zing ik: “dat heb ik geho-hoord”.

Het meisje kijkt niet op of om, ik loop ondertussen door maar als het jongetje even tussen twee zinnen adem haalt, roept ze achter mijn rug keihard richting het jongetje: “ Hé, besmettelijke, hou eens op!”, waarop het joch verbouwereerd even, heel even helemaal stilvalt.